Agenda

Van zaadje tot bord: hoe schooltuinieren leerlingen laat groeien

Overal beginnen planten weer te groeien en ook op veel scholen gaan leerlingen weer naar buiten om te ontdekken wat er leeft in de natuur. Voor scholen die leerlingen actief willen laten leren over natuur, voeding en biodiversiteit, is schooltuinieren een krachtige en praktische manier die bijdraagt aan de brede ontwikkeling van het kind.

Met de Modelinterventie Schooltuinieren, ontwikkeld door onder andere Vereniging GDO, krijgen leerlingen uit groep 5 tot en met 8 de kans om zelf te ervaren hoe voedsel groeit. Door zelf te zaaien, verzorgen en te oogsten ontdekken leerlingen waar hun eten vandaan komt en ontwikkelen ze gezonde eetgewoonten en respect voor de natuur.

De interventie is in november 2024 erkend als ‘Goed onderbouwd’ door de Erkenningscommissie Jeugdgezondheidszorg, preventie en gezondheidsbevordering. Daarmee behoort het programma tot één van de erkende interventies die scholen kunnen inzetten om gezondheid en positieve ontwikkeling bij leerlingen te stimuleren. Zo kunnen scholen die werken aan het thema Milieu en Natuur deze interventie bijvoorbeeld inzetten als erkende Gezonde School-activiteit binnen de Gezonde School-aanpak.

Leren door te doen in de schooltuin

Binnen een schooltuinprogramma krijgen leerlingen, groep 5 tot en met 8, een eigen tuintje of werken ze samen in kleine groepjes. Daar zaaien ze verschillende gewassen, verzorgen ze de planten en volgen ze het groeiproces gedurende het seizoen. Gedurende minimaal drie maanden komt de klas 10 tot 12 keer naar de schooltuin. Tijdens deze lessen leren leerlingen onder andere:

  • hoe groenten groeien
  • hoe ze planten moeten verzorgen
  • welke dieren en insecten in de tuin leven
  • hoe voedsel van de grond uiteindelijk op hun bord belandt

De leerlingen verbouwen minstens zes verschillende gewassen. Tussendoor proeven ze wat ze hebben geteeld en aan het einde van het seizoen maken ze samen een gerecht van hun oogst. Door deze praktische aanpak wordt leren tastbaar. Leerlingen ervaren niet alleen hoe groenten groeien, maar ontwikkelen ook meer nieuwsgierigheid naar de natuur om hen heen.

“Op de Van Hasseltschool zien we dat kinderen het heerlijk vinden om voor planten te zorgen. In onze moestuin zaaien, verzorgen en oogsten de leerlingen regelmatig zelf. Doordat zij dit proces van dichtbij meemaken, ervaren ze hoe iets groeit en wat daarvoor nodig is. We merken dat leerlingen hierdoor verantwoordelijkheid ontwikkelen, goed samenwerken en steeds nieuwsgieriger worden naar de natuur om hen heen,” aldus de Van Hasseltschool, een van de deelnemers aan de Modelinterventie Schooltuinieren.

Meer dan alleen tuinieren

Hoewel schooltuinieren op het eerste gezicht draait om planten en groenten, gaat de opbrengst veel verder dan dat. De lessen dragen bij aan verschillende ontwikkelingsdoelen. Leerlingen:

  • ontwikkelen gezondere voedingsgewoonten doordat ze zelf geteelde groenten proeven
  • krijgen meer respect voor natuur en biodiversiteit
  • leren samenwerken en communiceren
  • ontwikkelen vaardigheden zoals probleemoplossend denken en verantwoordelijkheid nemen

Er kan zelfs een stukje rekenen en taal aan te pas komen. Juist doordat leerlingen zelf verantwoordelijk zijn voor hun stukje tuin, voelen ze zich betrokken bij wat er groeit.

Wat betekent schooltuinieren voor een school?

Voor scholen is het belangrijk om te weten wat deelname praktisch betekent. Een schooltuinprogramma vraagt een duidelijke, maar goed te overziene tijdsinvestering. Een klas bezoekt gedurende een groeiseizoen 10 tot 12 keer een schooltuin, meestal verspreid over minimaal drie maanden. De lessen vinden plaats onder schooltijd en maken onderdeel uit van het lesprogramma.

De schooltuin kan zich op verschillende plekken bevinden, bijvoorbeeld op het schoolplein, in de buurt van de school of op een schooltuincomplex of andere externe locatie. Wanneer de tuin zich niet direct bij de school bevindt, wordt een afstand van maximaal twee kilometer aanbevolen. Zo kunnen leerlingen er lopend of met de fiets naartoe.

Geen schooltuin in de buurt? Er zijn meer mogelijkheden dan je denkt

Niet elke school heeft direct toegang tot een schooltuin. Vooral in stedelijke gebieden lijkt ruimte soms een beperking. Toch zijn er vaak meer mogelijkheden dan gedacht. Volgens Thijs van der Meulen, duurzaamheidsadviseur en vertegenwoordiger van Vereniging GDO binnen de Alliantie Schooltuinen, hoeft het ontbreken van een schooltuin geen belemmering te zijn: “Het gaat er vooral om dat leerlingen actief bezig zijn met voedsel. Misschien is de impact anders, maar ook met voedselprojecten, zoals smaaklessen, kun je veel bereiken.” 

Sommige scholen starten met moestuinbakken op het schoolplein of werken samen met volkstuinverenigingen, stadsboerderijen of buurtmoestuinen. Ook lokale organisaties voor natuur- en duurzaamheidseducatie of gemeenten kunnen ondersteunen bij locatie, materialen of begeleiding. “Begin klein en maak het behapbaar,” adviseert Thijs. “Je hoeft niet meteen het perfecte programma neer te zetten. Geef jezelf en de school de ruimte om te groeien.”

Aan de slag met schooltuinieren

Steeds meer scholen ontdekken dat schooltuinieren een inspirerende manier is om natuur, gezondheid en onderwijs met elkaar te verbinden. Door leerlingen actief buiten te laten leren, ontstaat er ruimte voor verwondering, ontdekking en samenwerking. Tegelijkertijd zijn leerlingen letterlijk in beweging, wat bijdraagt aan hun concentratie, welzijn en leerplezier.

Voor scholen die willen starten met een schooltuinprogramma zijn er verschillende mogelijkheden. Bestaande programma’s kunnen worden getoetst door Vereniging GDO en officieel erkend worden onder de Modelinterventie Schooltuinieren. Zo wordt niet alleen gewerkt aan natuur- en milieueducatie, maar ook aan gezonde gewoonten en de persoonlijke ontwikkeling van leerlingen.

Ga zelf aan de slag met milieu en natuur

Willemijn de Vries, expert van GDO

Willemijn de Vries is adviseur educatie bij Vereniging GDO, kennispartner van Gezonde School voor het thema Milieu & Natuur. Zij bezoekt regelmatig scholen voor audits en adviseert scholen over hoe je met het thema Milieu & Natuur aan de slag kunt gaan. Heb je voor Willemijn een vraag? Stuur dan je mail naar w.devries@vereniginggdo.nl

Q&A Combinatiefunctie NDE: van aanbieder naar partner

Op 16 april organiseerde Vereniging GDO een online vragenuur over de Combinatiefunctie Natuur- en Duurzaamheidseducatie (NDE). Professionals van Utrecht Natuurlijk en Natuurcentrum Arnhem deelden hun ervaringen uit de pilot en gingen in gesprek met het netwerk over rolontwikkeling, positionering en samenwerking met onderwijs en gemeenten.

De rode draad van de bijeenkomst: de pilot draait niet alleen om een functie, maar vooral om de vraag hoe NDE-organisaties zich verhouden tot hun omgeving. Hoe beweeg je van aanbieder naar partner? Hoe versterk je je positie richting scholen en gemeenten? En wat vraagt dat concreet van je organisatie?

Kon je er niet bij zijn, maar ben je wel nieuwsgierig naar wat we hebben besproken? Lees hieronder de belangrijkste inzichten uit het vragenuur.

Q: Maken we met ons huidige aanbod voldoende impact?

A: Er is veel waardering voor het aanbod van NDE-organisaties, maar tegelijk leeft de vraag of de impact groot genoeg is als leerlingen vaak maar één keer in hun schoolloopbaan met NDE in aanraking komen. De opgave is daarom niet alleen om goed aanbod te verzorgen, maar ook om steviger in gesprek te komen met onderwijs en gemeenten over de structurele betekenis van NDE.

Q: Waar zit de sleutel in het gesprek met scholen?

A: De kern ligt in goed luisteren naar wat er op scholen speelt en daarop aansluiten. Stel niet het aanbod centraal, maar voer het gesprek over wat scholen nodig hebben en hoe NDE kan bijdragen aan het curriculum, teamontwikkeling en de brede ontwikkeling van kinderen.

Q: Hoe ga je om met de verschillen tussen gemeenten?

A: Veel organisaties werken in meerdere gemeenten met elk hun eigen beleidskaders, financieringsvormen en prioriteiten. Dat geldt overigens ook binnen grotere gemeenten. Het vraagt om maatwerk en actief relatiebeheer: per gemeente, en soms zelfs per afdeling, kijken wie je tegenover je hebt, wat daar speelt en hoe je daarop aansluit.

Q: Hoe kom je van aanbieder naar partner of regisseur?

A: Dat begint bij de manier waarop je organisatie wordt gezien. Als NDE alleen als aanbieder in beeld is, blijf je buiten het strategische gesprek. De stap naar partnerschap vraagt om een sterk verhaal over de betekenis van NDE voor jeugd, onderwijs, gezondheid en leefomgeving.

Q: Hoe maak je je meerwaarde als professionele organisatie duidelijk?

A: Door kwaliteit en pedagogische deskundigheid te benadrukken. Een losse activiteit van een vrijwilliger kan waardevol zijn, maar een professionele NDE-organisatie onderscheidt zich door didactische kwaliteit, een goede aansluiting op het onderwijs en professionele begeleiding van de uitvoering. Zo profileer je je als organisatie die structureel bijdraagt aan onderwijs, in plaats van incidenteel aanbod levert.

Q: Is er perspectief op opname van NDE in de Brede Regeling Combinatiefuncties?

A: Op dit moment nog niet. Er zijn eerste gesprekken gevoerd, maar de landelijke context is lastig door bezuinigingen, de evaluatie van de regeling en terughoudendheid om nieuwe domeinen toe te voegen. De grootste kansen liggen voorlopig op lokaal niveau. In sommige gemeenten wordt NDE al gekoppeld aan sport en cultuur als onderdeel van brede ontwikkeling, en dat biedt aanknopingspunten.

Q: Wat kun je doen als gemeenten weinig ruimte voelen?

A: Blijven investeren in relaties en op meerdere plekken zaadjes planten. Soms ontstaat beweging via scholen of schoolbesturen die zich uitspreken. Ook bestaande routes, zoals handreikingen of overlegstructuren, kunnen helpen om op het vizier te komen.

Q: Hoe belangrijk is het eigen verhaal van je organisatie?

A: Heel belangrijk. Een helder en herkenbaar verhaal helpt om partners aan je te binden en als organisatie consistent zichtbaar te zijn. Het helpt bovendien als dat verhaal zo veel mogelijk a-politiek is geformuleerd, zodat het ook bij wisselende coalities overeind blijft. Vier praktische tips kwamen naar voren:

  1. Weet waar je voor staat. Formuleer scherp wat je kern is, bijvoorbeeld: bijdragen aan een gezonde, groene en duurzame samenleving, en verbind daar partners aan.
  2. Werk waar mogelijk a-politiek. Gemeentelijke contexten veranderen elke vier jaar. Een inhoudelijk en breed gedragen verhaal zorgt voor meer continuïteit.
  3. Gebruik je netwerk actief. Kom je ergens niet binnen, zet dan bestaande relaties en samenwerkingspartners in.
  4. Sluit aan bij je doelgroep. Vertaal je verhaal steeds naar de belevingswereld van onderwijs, gemeente, bedrijfsleven of andere partners.

Q: Moet NDE zich alleen richten op educatie?

A: Nee. Hoewel sommige trajecten vooral over educatie gaan, werd benadrukt dat NDE-organisaties in de praktijk vaak ook breder actief zijn, bijvoorbeeld op participatie, bewonersinitiatieven en maatschappelijke betrokkenheid. Die bredere rol moet zichtbaar blijven.

Q: Heeft de Lokale Educatieve Agenda (LEA) waarde als route?

A: Dat verschilt per gemeente. Soms is de LEA beperkt relevant, maar op andere plekken biedt deze wel degelijk kansen om NDE inhoudelijk op de agenda te zetten. Het blijft daarom een route om serieus te verkennen.

Q: Helpt het om gemeenten te vragen om apart NDE-beleid?

A: Dat verschilt per gemeente, maar vaak werkt het beter om niet te vragen om een apart beleidsdossier, maar aan te sluiten bij bestaande gemeentelijke opgaven. De vraag wordt dan: hoe kan NDE bijdragen aan doelen rond jeugd, gezondheid, kansengelijkheid of leefomgeving?

Q: Wat zijn randvoorwaarden om een meer verbindende rol te vervullen?

A: De belangrijkste randvoorwaarde is tijd: tijd om relaties op te bouwen en tijd om partnerschappen te ontwikkelen. Als die tijd er niet is, kun je alsnog stappen zetten door in elk contactmoment je verhaal strategisch te vertellen, actief haakjes te benoemen (bijvoorbeeld beweging, gezondheid of gedrag) en je positie subtiel maar consequent te versterken. Daarnaast is het belangrijk om jezelf te zien als middel: aansluiten bij andere agenda’s, maar wel je eigen verhaal blijven inbrengen.

Q: Moet elke NDE-organisatie dezelfde rol ambiëren?

A: Nee. Niet iedere organisatie hoeft partner of regisseur te worden. Het is ook waardevol om simpelweg een heel goede en onmisbare aanbieder te zijn. Binnen een regionaal netwerk kunnen organisaties verschillende rollen vervullen en elkaar aanvullen.

Q: Hoe kijken we naar ontwikkelingen rond techniekeducatie?

A: Dat verschilt per regio. Soms biedt het kansen om duurzaamheid, techniek en voeding meer in samenhang aan te bieden en zo scholen te ontzorgen. Tegelijk moet NDE niet onnodig concurreren met bestaande techniekprogramma’s. De opgave is vooral om adaptief te blijven, nieuwe ontwikkelingen tijdig te signaleren en waar passend samenwerking te zoeken. Vanuit GDO wordt verkend waar NDE al betrokken is bij Techkwadraat en hoe die voorbeelden gedeeld kunnen worden.

Tot slot

Wat uit het vragenuur vooral duidelijk werd, is dat de weg van aanbieder naar partner geen kwestie is van één beslissing of één nieuwe functie. Het is een proces van positioneren, relaties opbouwen, goed luisteren en je verhaal consequent vertellen, afgestemd op wie er tegenover je zit. Niet elke organisatie hoeft dezelfde rol te ambiëren, maar elke organisatie heeft baat bij een scherp eigen verhaal en een stevig netwerk.

De ervaringen van Utrecht Natuurlijk en Natuurcentrum Arnhem laten zien dat het loont om kleine stappen te blijven zetten, ook als de landelijke context ingewikkeld is. Door te blijven investeren in relaties met scholen, gemeenten en andere partners, en door aan te sluiten bij bredere opgaven rond jeugd, gezondheid, kansengelijkheid en leefomgeving, komt NDE steeds meer in beeld als een logische partner in plaats van een losse leverancier.

Wil je aan de slag met de inzichten uit de pilot? Neem dan contact op met Anouk Haverkamp via a.haverkamp@vereniginggdo.nl of bekijk de handreiking Combinatiefunctie NDE voor meer praktische handvatten.

Gezonde School: vignet nieuwe stijl vanaf 2026-2027

Gezonde School introduceert vanaf het schooljaar 2026-2027 het vignet Gezonde School nieuwe stijl. Binnen de nieuwe vorm ligt de nadruk op het stimuleren van scholen om structureel én integraal te blijven werken aan de Gezonde School-aanpak, via Jouw Gezonde School. Dit geldt ook voor het thema Milieu en Natuur, waarvan Vereniging GDO themahouder is.

Scholen kunnen al (kern)acties afronden in Jouw Gezonde School – Aan de slag. Alles wat een school nu al doet, telt straks mee aan het behalen van het vignet Gezonde School nieuwe stijl.

Meer en actuele informatie over het vignet is te vinden op Gezondeschool.nl/vignet.

Benieuwd naar wat Vereniging GDO doet binnen Gezonde School? Lees meer over Gezonde School: Thema Milieu en Natuur.

Investeren in lokale infrastructuur rond scholen blijft nodig voor duurzaam onderwijs

De nieuwste editie van De Staat van het Duurzaam Onderwijs 2026, vandaag gepresenteerd door Leren voor Morgen, laat zien dat duurzaam onderwijs en natuur- en duurzaamheidseducatie volop in ontwikkeling zijn. Binnen het netwerk van Vereniging GDO herkennen we dat beeld.

Tegelijkertijd bevestigt het rapport ook een hardnekkige realiteit: duurzaam onderwijs is nog te vaak afhankelijk van losse projecten en bevlogen individuen. Dat maakt het kwetsbaar.

Bekijk hier het hele rapport op de website van Leren voor Morgen

Van losse projecten naar stevige basis

Juist daarom blijft structurele ondersteuning van scholen nodig. Niet alleen via tijdelijke projecten, maar door te investeren in een sterke lokale infrastructuur: plekken, professionals en netwerken in de directe omgeving van de school.

Die infrastructuur is geen randvoorwaarde, maar een wezenlijk onderdeel van duurzaam onderwijs. Zonder die basis blijft het moeilijk om duurzaam onderwijs blijvend te verankeren in de praktijk.

De kracht van lokale leeromgevingen

Natuur- en duurzaamheidseducatie wint aan kracht wanneer scholen kunnen samenwerken met partners in hun omgeving en wanneer leren verbonden wordt met de leefwereld van kinderen en jongeren.

Lokale voorzieningen zoals NDE-centra, stads- en kinderboerderijen spelen daarin een sleutelrol.
Zij:

  • ondersteunen scholen bij het vormgeven van onderwijs;
  • verbinden onderwijs met maatschappelijke en gemeentelijke opgaven;
  • bieden rijke leeromgevingen waar leerlingen kunnen ervaren, onderzoeken en ontdekken.

Op deze plekken leren kinderen niet alleen over natuur, duurzaamheid en samenleving, maar juist in en met de praktijk. Daarmee dragen ze direct bij aan het behalen van kerndoelen en aan betekenisvol onderwijs.

Structureel investeren in wat werkt

Duurzaam onderwijs is geen extraatje, maar een essentieel onderdeel van goed onderwijs en van gezond, toekomstgericht opgroeien. Dat vraagt om meer dan ambities en incidentele subsidies.

Het vraagt om structurele investeringen in lokale leer-ecosystemen rond kinderen en jongeren, en om duurzame samenwerking tussen scholen, gemeenten en lokale partners.

Samen met gemeenten en NDE-organisaties in ons netwerk blijft Vereniging GDO zich hiervoor inzetten.

Meld je aan voor de eerste gezamenlijke netwerkdag van vSKBN & Vereniging GDO

Graag nodigen we je uit voor de eerste gezamenlijke netwerkdag van vSKBN en Vereniging GDO op vrijdag 19 juni bij Vogelpark Avifauna in Alphen aan den Rijn.

Waarom deze netwerkdag?

De samenwerking tussen Vereniging Stads- en Kinderboerderijen Nederland en Vereniging GDO krijgt steeds verder vorm. We komen elkaar vaker tegen: op locaties, in projecten en tijdens bijeenkomsten. Met deze netwerkdag brengen we onze netwerken voor het eerst samen op één gezamenlijke ledendag.

Wat kun je verwachten?

De dag staat in het teken van ontmoeten, uitwisselen en samen vooruitkijken. We nemen jullie mee in de ontwikkeling van het meerjarenplan voor de samenwerking tussen vSKBN en GDO en horen daarbij graag jullie ideeën en feedback. Daarnaast zijn er verschillende informatietafels waar initiatieven en projecten uit ons netwerk zich presenteren:

  • Je maakt kennis met voorbeelden uit het netwerk rond samenwerking met bedrijven, lokale partners en buurtinitiatieven.
  • Je kunt je vragen stellen of praktische informatie krijgen over het Kwaliteitsbewijs voor kinderboerderijen.
  • Er komen onderwerpen langs zoals Eco-Schools, duurzaamheid in de nieuwe kerndoelen en het leertraject rond rolontwikkeling van NDE-organisaties.
  • Verschillende leden laten voorbeelden zien van educatie en participatie in de praktijk.
  • Daarnaast kun je in gesprek gaan met collega’s en bestuursleden van GDO en vSKBN over de lopende ontwikkelingen, over verschillende projecten binnen de verenigingen en horen we graag jullie feedback op de eerste contouren van het meerjarenplan.

Het is ook mogelijk om zelf materiaal of een project te presenteren. Geef dit aan bij je aanmelding (er is beperkt ruimte, dus we bekijken wat mogelijk is).

Praktische informatie

Datum: vrijdag 19 juni
Locatie: Avifauna, Alphen aan den Rijn
Tijd: 09.30 tot 13.30 uur

Programma

09.30 – 10.00 Inloop
10.00 – 10.30 Plenair welkom, presentatie eerste contouren van het meerjarenplan en terugkoppeling ledenpeiling (hier krijgen jullie binnenkort bericht over)
10.30 – 12.00 Open beursvloer
12.00 Vegetarische lunch
12.30 Rondleiding door Avifauna (optioneel)
13.30 Einde programma en gelegenheid om zelf verder het park te bezoeken

Voor de kosten van de dag (zaalhuur, entree Avifauna, koffie/thee en lunch) vragen wij een bijdrage van €20 per persoon voor leden en €50 per persoon voor niet-leden, excl. btw. Bij afmelding na 1 juni worden de deelnamekosten alsnog in rekening gebracht. Na aanmelding ontvang je nadere informatie over de locatie en het programma.

Kortom: dit wordt een dag om elkaar te ontmoeten, inspiratie op te doen en samen verder te bouwen aan onze netwerken. Wil jij daarbij zijn? Meld je aan via het onderstaande formulier. Hopelijk tot ziens op 19 juni!

Naam
Ik meld me aan voor de rondleiding door Avifauna (12.30 – 13.30 uur)
Het is mogelijk om zelf materiaal of een project te presenteren, we reserveren hiervoor enkele tafels. Wil je iets laten zien?
Gegevens voor het sturen van de factuur
Voor de kosten van de dag (zaalhuur, entree Avifauna, koffie/thee en lunch) vragen wij een bijdrage van €20 per persoon voor leden en €50 per persoon voor niet-leden, excl. btw. Bij afmelding na 1 juni worden de deelnamekosten alsnog in rekening gebracht.
Contactpersoon factuur
Ik wil graag de nieuwsbrief ontvangen

Interview GDO-Leetraject #3: Carola Rijpkema van Het Groene Huis

De wereld van Natuur- en Duurzaamheidseducatie (NDE) staat niet stil. Steeds vaker zoeken scholen naar partners die verder gaan dan losse lessen en projectaanbod. Dat vraagt om samenwerking op strategisch niveau, om duurzame verankering in visie, beleid en praktijk. Het nieuwe GDO-leertraject ondersteunt NDE-centra in het verkennen en versterken van hun rol in relatie tot het onderwijs.  

Vandaag gingen we in gesprek met Carola Rijpkema die vertelt over de derde sessie. 

Wie is de deelnemer? 

Carola Rijpkema werkt sinds twee jaar bij Het Groene Huis in Amersfoort. Binnen Het Groene Huis combineert zij haar rol in het team educatie samen met de verantwoordelijkheid voor de inrichting van het bezoekerscentrum. Zij houdt zich bezig met het contact met basisscholen én met de vraag wat bezoekers ervaren zodra zij het gebouw binnenkomen: welke verhalen worden hier verteld en hoe natuur, duurzaamheid en educatie elkaar versterken. 

In haar loopbaan zie je duidelijk dat natuur en onderwijs steevast een duidelijke rol innemen. Zo volgde Carola de opleiding Tuin- en Landschapsinrichting aan Hogeschool Larenstein en werkte jarenlang als ontwerper aan de inrichting van de openbare ruimte. Na de kredietcrisis/bankencrisis maakte zij een bewuste omslag. Ondertussen had ze de pabo gevolgd en afgerond, tijdens de avonduren.  In de natuur- en duurzaamheidseducatie vond zij die twee werelden terug. Eerst werkte zij acht jaar bij De Hortus in Harderwijk voordat zij de overstap maakte naar Het Groene Huis. 

Ook persoonlijk is Carola sterk verbonden met de natuur. Zij groeide op op een boerderij en woont nu met haar gezin in Leusden. In haar vrije tijd wandelt zij veel en is zij graag bezig in haar tuin.  

“Soms kijk ik bijna de bollen uit de grond, maar juist dat wachten maakt het mooi. Ik geniet van de wisseling van de seizoenen, en die laat ook zien hoe afhankelijk we daarvan zijn. Dat is iets fundamenteels; in het leven, maar net zo goed in leren en ontwikkelen.” 

Die houding klinkt door in haar werk: onderwijs en educatie vragen volgens haar om aandacht, tijd en ruimte om te groeien.  

De leervraag van het leertraject 

De aanleiding voor deelname aan het GDO-leertraject ligt in een kantelmoment binnen Het Groene Huis. Het educatieteam is de afgelopen jaren vernieuwd: collega’s zijn met pensioen gegaan en nieuwe teamleden zijn ingestapt. Dat bood ruimte om niet alleen het aanbod, maar ook de rol van de NDE-organisatie opnieuw te bekijken. 

Carola ziet dat Het Groene Huis traditioneel vooral opereert als aanbieder van educatieve activiteiten. Hoewel er naar aanbod van derden wordt doorverwezen, blijft dat vaak beperkt tot een praktische doorgeefrol. De ambitie is om door te groeien naar een gesprekspartner voor scholen: een organisatie die meedenkt over onderwijsontwikkeling, visie en de plek van natuur en duurzaamheid binnen het curriculum. 

Daarbij speelt voor Het Groene Huis sterk de wens om de basis nog beter op orde te brengen. Het educatieve aanbod is lange tijd weinig veranderd. Hoewel er al is geschrapt, is er nog beperkt vernieuwd. Voor Carola betekent dit dat er eerst gewerkt moet worden aan meer samenhang en duidelijke leerlijnen in het aanbod. Pas wanneer die basis staat, ontstaat er ruimte om richting scholen een sterker en overtuigender verhaal te voeren. Zo gaat het niet alleen over losse activiteiten, maar over hoe natuur- en duurzaamheidseducatie structureel kan bijdragen aan het onderwijs. 

Sessie 3: Onderwijspraktijk & breed vormend onderwijs 

Sessie 3 sprong er voor Carola duidelijk uit. Het thema breed vormend onderwijs sloot sterk aan bij haar eigen overtuiging dat leren meer is dan kennisoverdracht alleen. Onderwijs zou ook ruimte moeten bieden aan persoonlijke ontwikkeling, burgerschap en verbondenheid met de wereld. 

Het praktijkgerichte karakter van deze sessie maakte het verschil. In rollenspellen werd gewerkt met verschillende perspectieven binnen scholen: van directie en leerkrachten tot ondersteunend personeel. Voor Carola werd daarmee scherp zichtbaar hoe verschillende belangen samenkomen in onderwijskeuzes. Maar ook hoe belangrijk het is om die dynamiek te begrijpen als NDE-centrum. 

Die ervaring herkent Carola uit haar dagelijkse praktijk. In gesprekken met scholen zit zij meestal met één gesprekspartner aan tafel, vaak een directeur of een leerkracht. Tijdens de sessie werd juist zichtbaar hoeveel verschillende rollen en belangen binnen een school een rol spelen bij keuzes rond natuur- en duurzaamheidseducatie. Dat inzicht helpt haar om gesprekken met scholen anders te voeren: met meer oog voor wie er aan tafel zit, welke belangen meespelen en waar ruimte zit om het gesprek te verdiepen. 

Betekenis voor de NDE-sector 

Volgens Carola staat de NDE-sector als geheel voor vergelijkbare vraagstukken. Veel centra zoeken naar hun positie: hoe vernieuw je je aanbod, hoe maak je je relevant voor scholen en hoe word je een vanzelfsprekende partner in onderwijsontwikkeling? 

Een belangrijke uitdaging is dat natuur en duurzaamheid binnen het onderwijs vaak afhankelijk blijven van individuele kartrekkers. Terwijl het idealiter een vanzelfsprekend onderdeel zou moeten zijn van het onderwijs, vergelijkbaar met sport of cultuur. NDE-centra kunnen hierin een verbindende rol spelen, mits zij beschikken over een helder profiel en een sterk, gedeeld verhaal. 

De kracht van het leertraject zit voor Carola niet alleen in kennis en modellen, maar vooral in de ontmoeting met andere NDE-centra. Het herkennen van elkaars vragen, het uitwisselen van ervaringen en het samen reflecteren helpt om het eigen proces te versnellen. 

Voor Het Groene Huis betekent dit werken aan een duidelijke koers voor de komende jaren: met prioriteiten, ruimte voor vernieuwing en een gelijkwaardig gesprek met scholen. Voor de sector als geheel ziet Carola vooral kansen om, stap voor stap, te bouwen aan duurzame relaties, waarin onderwijs en natuur elkaar versterken. 

Nieuwe inschrijvingen

In september 2026 starten we een nieuwe ronde van dit leertraject. Op maandag 18 mei organiseren we een online informatiesessie hierover. Heb je hier interesse in? Stuur een mail naar Simone: s.kleinhout@vereniginggdo.nl

Heb je interesse in het leertraject? Meld je dan aan via dit formulier: 

GDO: Leertraject inschrijven 2026

Naam
Interesse in het leertraject

Samen naar buiten op Buitenlesdag: van schoolplein tot campus

Binnen het netwerk van Vereniging GDO zien we hoe het schoolplein, de buurt en andere groene leeromgevingen bijdraagt aan rijk en betekenisvol onderwijs. NDE-centra, gemeenten en scholen werken op veel plekken samen om natuur en leefomgeving dichter bij kinderen te brengen en het leren meer te verbinden met de wereld om hen heen. De Buitenlesdag van IVN Natuureducatie is daarvan een mooi en zichtbaar initiatief waar we vanuit ons netwerk ook graag onderdeel van zijn. Sinds 2016 stimuleert deze dag leerkrachten om het buitenlokaal bewust in te zetten: niet alleen voor natuuronderwijs, maar ook voor taal, rekenen, geschiedenis en techniek. Buiten leren biedt daarbij meer ruimte voor beweging, verwondering en ervaring, en draagt zo bij aan de brede ontwikkeling van leerlingen.

Primair onderwijs: ontdekken en onderzoeken

In het primair onderwijs is buiten leren een krachtige manier om kinderen te laten ervaren dat zij onderdeel zijn van de natuur. Buitenles vergroot de betrokkenheid en motivatie, stimuleert samenwerking en zorgt voor frisse energie in de klas. Dat buitenonderwijs steeds meer ingeburgerd raakt, blijkt uit onderzoek van DUO Onderwijsonderzoek & Advies (2025), uitgevoerd in opdracht van IVN: 77% van de leerkrachten geeft weleens buiten rekenles en 65% buiten taalles.

Hoger onderwijs: verdiepen en verbinden

Ook in het hoger onderwijs groeit de aandacht voor leren in de buitenlucht. Tijdens More Nature, Deeper Education nr. 4 op de Wageningen University & Research campus wordt aangesloten bij de Buitenlesdag met een buitenlesmarathon. Bezoekers kunnen vrij deelnemen aan inspirerende sessies waarin docenten laten zien hoe buitenonderwijs in de praktijk werkt.

Een bijzonder moment is de feestelijke opening van drie buitenklaslocaties door decaan Onderwijs Dick de Ridder. Deze locaties zijn vanaf 7 april beschikbaar en te reserveren voor onderwijs, een mooie stap in de verdere verankering van natuurinclusief onderwijs.

Aan de slag met je eigen lessen

Buitenlesdag is hét moment om naar buiten te gaan, maar hoe vertaal je dat naar je dagelijkse onderwijs? Het Collectief Natuurinclusief ontwikkelde een reeks visuals die laten zien hoe je natuur en duurzaamheid kunt verbinden met de kerndoelen in het primair onderwijs.

De visuals geven per leergebied concrete voorbeelden. Zo kun je binnen taal buiten een gedicht schrijven of een verhaal maken vanuit het perspectief van een dier, terwijl leerlingen bij rekenen data verzamelen over vogels of afval en dit verwerken in grafieken. Ook bij burgerschap, digitale geletterdheid en mens & natuur zijn er volop mogelijkheden om de omgeving als leerplek te gebruiken.

De kracht: het gaat niet om iets extra’s, maar om anders kijken naar wat je al doet in de klas. Bekijk de visuals en laat je inspireren.

Tip

Op de website van IVN vind je daarnaast een uitgebreide databank met buitenlessen en lespakketten over de natuur. Lees meer op de website en ontdek hoe je zelf eenvoudig met je klas naar buiten kunt!

Online vragenuur Combinatiefunctie NDE: stel je vragen aan Utrecht en Arnhem

Binnen het GDO-netwerk is er behoefte aan ruimte om vragen te stellen over de combinatiefunctie Natuur- en Duurzaamheidseducatie (NDE) in de praktijk. Hoe werkt deze rol precies? Wat vraagt het van je organisatie? En hoe geef je de samenwerking met onderwijs en gemeente concreet vorm?

De pilot Combinatiefunctie NDE draait niet alleen om een functie, maar vooral om rolontwikkeling en positionering. Hoe beweeg je als NDE-organisatie van aanbieder naar partner? Hoe versterk je je rol richting scholen en gemeenten? En wat betekent dat in de dagelijkse praktijk?

Daarom organiseren we een online bijeenkomst van anderhalf uur voor ons netwerk. Tijdens deze bijeenkomst presenteren we de belangrijkste lessen en inzichten uit de pilot en delen we voorbeelden uit de handreiking. Aansluitend is er volop gelegenheid om vragen te stellen aan professionals die vanuit de combinatiefunctie werken bij Utrecht Natuurlijk en Natuurcentrum Arnhem. Zij delen hun ervaringen, afwegingen en praktische leerpunten.

Werk je aan structurele samenwerking met het onderwijs, of verken je de mogelijkheden van de combinatiefuncties voor jouw organisatie, NDE of gemeente? Dan nodigen we je van harte uit om aan te sluiten.

De bijeenkomst vindt online plaats op 16 april en duurt van 13.30 tot 15.00 uur. Aanmelden kan via onderstaand formulier.

Naam
Ik wil graag de nieuwsbrief ontvangen

Wat kan een NDE-organisatie betekenen voor ontwikkelaars?

Van groene ambities naar groene tuinen – de kracht van langdurige bewonersparticipatie. 

Een nieuwbouwwijk wordt opgeleverd met groene ambities: klimaatadaptief, natuurinclusief en biodivers. Maar een paar jaar later liggen veel tuinen alsnog vol tegels. Een herkenbaar probleem in gebiedsontwikkeling. Hoe zorg je ervoor dat groene plannen niet alleen op de tekentafel blijven bestaan, maar ook terugkomen in het dagelijks gedrag van bewoners? 

Die vraag staat centraal in de nieuwe publicatie van Platform KAN, KAN staat voor klimaatadaptief bouwen, mét de natuur. De nieuwe publicatie is een Verleidingenwaaier voor groene tuinen. In deze waaier delen ontwikkelaars, ontwerpers en gedragsdeskundigen hun ervaringen met het stimuleren van natuurinclusieve tuinen. 

De publicatie maakt duidelijk waarom dit onderwerp zo belangrijk is. In een gemiddelde woonwijk bestaat ongeveer een derde van de oppervlakte uit privétuinen. Daarmee hebben bewoners een grote invloed op hoeveel groen er uiteindelijk in een wijk aanwezig is. Wie natuurinclusief wil bouwen, kan deze ruimte dus niet negeren. 

Groene ambities versus dagelijkse praktijk 

In veel nieuwbouwwijken wordt vanaf het begin nagedacht over klimaatadaptatie en biodiversiteit. Ontwerpers maken plannen voor groene straten, wateropvang en natuurinclusieve bouw. Toch blijkt in de praktijk dat het uiteindelijke resultaat vaak anders uitpakt. Bewoners kiezen na oplevering voor onderhoudsarme tuinen met tegels en schuttingen. 

Dat laat zien dat natuurinclusief bouwen niet alleen een ontwerpvraagstuk is. Uiteindelijk bepalen bewoners wat er met hun tuin gebeurt. 

Daarmee ontstaat een belangrijke vraag voor ontwikkelaars en gemeenten: wie helpt bewoners om hun tuin daadwerkelijk groen te maken en te houden? En wie blijft dat doen als het bouwproject al lang is afgerond? 

De bijdrage van Vereniging GDO aan de Verleidingenwaaier 

In de Verleidingenwaaier levert Katinka Schlette namens Vereniging GDO een bijdrage over het belang van langdurige bewonersparticipatie. De kern van die bijdrage is dat vergroening niet werkt als een eenmalige interventie. Een inspiratiesessie of een flyer kan een eerste stap zijn, maar duurzame verandering ontstaat vooral wanneer bewoners langdurig betrokken blijven bij hun leefomgeving. 

“Groene tuinen ontstaan niet alleen op de tekentafel, maar vooral in de hoofden en harten van bewoners.”

Dat betekent dat bewoners al vanaf de planfase betrokken moeten worden bij de ontwikkeling van een wijk en dat participatie ook na oplevering moet doorlopen. Juist in die fase kan ondersteuning, ontmoeting en gezamenlijke activiteit ervoor zorgen dat groene plannen daadwerkelijk worden uitgevoerd en onderhouden. 

Vergroening blijkt daarmee niet alleen een ruimtelijke opgave, maar ook een sociale. 

NDE-organisaties als verbindende partner 

Hier ligt een duidelijke rol voor NDE-organisaties. Zij zijn gewend om bewoners te informeren, te activeren en met elkaar te verbinden rond thema’s als natuur, biodiversiteit en klimaatadaptatie. 

Voor projectontwikkelaars en gemeenten kunnen NDE-organisaties een belangrijke schakel zijn tussen plannen en praktijk. Ze kunnen bewoners helpen om groene ideeën te vertalen naar concrete stappen in hun eigen tuin en bijdragen aan communityvorming rond groen in de wijk. 

Een belangrijk voordeel is dat deze organisaties lokaal geworteld zijn. Waar projectontwikkelaars na oplevering vaak vertrekken, blijven NDE-organisaties juist aanwezig. Ze kennen de lokale context, hebben vaak een fysieke ontmoetingsplek en beschikken over ervaring met participatie en educatie. Daardoor kunnen zij bewoners ook op langere termijn blijven ondersteunen. 

Praktijkvoorbeeld: Maanwijk in Leusden 

Hoe dat er in de praktijk uitziet, laat de wijk Maanwijk in Leusden zien. Hier werkte projectontwikkelaar Heijmans samen met de lokale NDE-organisatie De Groene Belevenis. 

In het participatietraject Groen & Ontmoeten in Maanwijk werden toekomstige bewoners al in de plan- en ontwerpfase betrokken bij de inrichting van de groene buitenruimte. Tijdens inspiratiesessies konden bewoners ideeën aandragen voor tuinen en gezamenlijke groene zones. Deze ideeën zijn samen met ontwerpers verwerkt in de plannen voor de wijk. 

De betrokkenheid van De Groene Belevenis stopte niet bij het ontwerp. Ook na oplevering van de wijk bleef de organisatie activiteiten organiseren en bewoners ondersteunen. Daardoor bleef het gesprek over groen in de wijk doorgaan en werd de groene ambitie van het project verder versterkt. 

Dit soort voorbeelden laten zien hoe educatie, participatie en lokale begeleiding samen kunnen bijdragen aan natuurinclusieve gebiedsontwikkeling. 

Luchtfoto Maanwijk
foto: Heijmans

Kansen voor ons netwerk 

De Verleidingenwaaier maakt duidelijk dat vergroening van tuinen niet vanzelf ontstaat. Het vraagt om een strategie waarin ontwerp, communicatie en gedragsverandering samenkomen. 

Voor gemeenten betekent dat dat het waardevol kan zijn om NDE-organisaties al vroeg te betrekken bij gebiedsontwikkelingen. Voor NDE-organisaties zelf ligt er een kans om hun rol verder te ontwikkelen als partner voor projectontwikkelaars en woningcorporaties, bijvoorbeeld op het gebied van communityvorming, participatie en langdurige begeleiding van bewoners. 

Groene tuinen ontstaan immers niet alleen op de tekentafel, maar vooral in de hoofden en harten van bewoners. Juist daar ligt de expertise van NDE-organisaties. 

Meer weten? 

De Verleidingenwaaier voor groene tuinen van Platform KAN biedt veel praktische inspiratie voor iedereen die werkt aan natuurinclusieve gebiedsontwikkeling. 

Werk jij als NDE-organisatie al samen met projectontwikkelaars, gemeenten of woningcorporaties aan groene wijken? Of heb je voorbeelden van langdurige bewonersparticipatie? Deel je ervaringen met het netwerk via info@vereniginggdo.nl. Zo kunnen we kennis en praktijkvoorbeelden binnen het netwerk blijven uitwisselen.  

Nieuwe handreiking: zo werk je met nieuwe rollen aan natuur en duurzaamheid in het onderwijs

Hoe geef je natuur- en duurzaamheidseducatie (NDE) een structurele plek in het onderwijs? En wat vraagt dat van de rol van NDE-organisaties richting scholen, gemeenten en lokale partners?

Met de nieuwe publicatie Met nieuwe rollen werken aan natuur en duurzaamheid in het onderwijs biedt Vereniging GDO samen met Utrecht Natuurlijk en Natuurcentrum Arnhem een praktische handreiking voor rolontwikkeling en samenwerking.

De handreiking is gebaseerd op de pilot Combinatiefunctie NDE en bundelt praktijkervaringen, inzichten en concrete tips. Centraal staat de beweging van NDE-organisaties van aanbieder naar strategisch partner in de driehoek van school, gemeente en lokale partners.

Veel NDE-organisaties zijn van oorsprong aanbieder: zij verzorgen lessen, projecten of activiteiten rond natuur en duurzaamheid. Die rol blijft belangrijk. Tegelijkertijd laat de praktijk zien dat losse activiteiten vaak niet genoeg zijn om natuur en duurzaamheid echt terug te laten komen in het dagelijks onderwijs. Scholen hebben te maken met volle roosters, druk op basisvaardigheden en wisselende personele bezetting. Dat vraagt om andere vormen van ondersteuning en samenwerking.

Daarom beschrijft de publicatie verschillende rollen die een NDE-organisatie kan vervullen. Soms ligt de nadruk op het uitvoeren van goed educatief aanbod. In andere situaties treedt een organisatie op als makelaar die scholen verbindt met lokale partners en subsidiemogelijkheden. Er zijn ook situaties waarin een NDE-organisatie samen met een school werkt aan visie en samenhang, als partner die meedenkt over curriculum, schoolontwikkeling of een groen schoolplein. Of zij neemt tijdelijk een deel van het onderwijs op zich als groene (leer)kracht, bijvoorbeeld bij personeelstekorten of thematisch onderwijs.

Door deze rollen naast elkaar te zetten, wordt duidelijk dat het niet gaat om één vaste functie, maar om een manier van werken die meebeweegt met wat een school nodig heeft. De handreiking helpt om bewuste keuzes te maken: welke rol past bij onze context, onze capaciteit en onze ambitie?

Naast deze duiding biedt de handreiking praktische handvatten voor samenwerking en voor het versterken van de interne organisatie. Daarmee is het document niet alleen inspirerend, maar ook direct toepasbaar in de lokale praktijk.

De publicatie is bedoeld voor NDE-organisaties die willen werken aan onderwijs waarin natuur en duurzaamheid vanzelfsprekend meedoen, in samenwerking met scholen, gemeenten en andere educatieve partners. Download de handreiking hier:

Website gerealiseerd door Daily Creative Agency