Agenda

Gemeente Wageningen wint de Gouden Wortel 2026, Leiden ontvangt Publieksprijs

Tijdens de Week van de Schooltuin zijn de winnaars van de Gouden Wortel 2026 bekendgemaakt. De gemeente Wageningen mag zich dit jaar winnaar noemen van de Gouden Wortel 2026. De Publieksprijs ging naar de gemeente Leiden, die met een inspirerende videovlog veel stemmen wist te verzamelen.

De Gouden Wortel is een initiatief van de Alliantie Schooltuinen en het programma Jong Leren Eten. Vereniging GDO is als kernlid actief betrokken bij de Alliantie Schooltuinen en zet zich samen met partners in voor sterk, toegankelijk en toekomstbestendig schooltuinonderwijs.

Meer dan 100 jaar schooltuinen

Schooltuinen hebben in Nederland een lange traditie. Al meer dan een eeuw ontdekken kinderen via schooltuinen hoe voedsel groeit en welke rol natuur, biodiversiteit en gezonde voeding spelen in hun dagelijks leven. Door zelf te zaaien, verzorgen en oogsten ervaren leerlingen van dichtbij hoe de natuur werkt.

Schooltuinen zijn bovendien plekken waar verschillende maatschappelijke thema’s samenkomen. Denk aan klimaat, water, gezondheid, vergroening, afval en biodiversiteit. Tegelijkertijd stimuleren ze belangrijke vaardigheden zoals samenwerken, taal, rekenen, verantwoordelijkheid nemen en geduld hebben.

Gemeenten maken het verschil

Goede schooltuinprogramma’s vragen om samenwerking en ondersteuning. Gemeenten spelen daarin vaak een sleutelrol, bijvoorbeeld door grond beschikbaar te stellen, financiering mogelijk te maken of langdurige samenwerkingen met scholen en lokale partners op te bouwen.

Met de Gouden Wortel willen de initiatiefnemers inspirerende voorbeelden zichtbaar maken en andere gemeenten stimuleren om schooltuinieren structureel te ondersteunen. Voor de editie van 2026 maakten gemeenten een videovlog waarin zij lieten zien hoe zij schooltuinen ondersteunen én welke ambities zij hebben voor de toekomst.

Wageningen wint juryprijs

Volgens de jury sprong Wageningen er dit jaar duidelijk uit. De gemeente laat zien dat schooltuinieren niet draait om losse projecten, maar onderdeel kan zijn van een bredere visie op onderwijs, gezondheid en inclusie.

De jury prees vooral de structurele ondersteuning vanuit de gemeente, de inzet van deskundige moestuinprofessionals en de sterke verbinding met scholen en ouders. Ook de focus op inclusiviteit maakte indruk.

Wethouder Bijleveld verwoordde het als volgt:

“Het is mooi om te zien hoe leerlingen met hun handen in de aarde gaan en van alles leren over de zorg voor zichzelf, elkaar en hun omgeving.”

Volgens de jury laat Wageningen daarmee zien dat “de tuin écht de school is”.

Leiden wint Publieksprijs

De Publieksprijs van de Gouden Wortel 2026 ging naar Leiden. Het publiek reageerde enthousiast op de manier waarop de gemeente in haar vlog liet zien hoe schooltuinen verschillende generaties verbinden.

Van ervaren vrijwilligers tot jonge scholieren: de schooltuinen leven breed in de stad. Vooral de zelfstandigheid die kinderen krijgen sprak veel stemmers aan. Leerlingen worden gestimuleerd om ook buiten schooltijd zelfstandig naar de tuin te gaan. Daardoor groeien de schooltuinen uit tot een levendige ontmoetingsplek en een vanzelfsprekend onderdeel van de groene stad.

Samen bouwen aan de toekomst van schooltuinen

De Gouden Wortel laat zien hoeveel mooie initiatieven er in Nederland zijn rondom schooltuinieren. Zowel Wageningen als Leiden tonen op hun eigen manier hoe gemeenten, scholen, vrijwilligers en lokale partners samen kunnen werken aan betekenisvol groen onderwijs.

Van harte gefeliciteerd aan alle betrokken gemeenten, scholen, moestuinprofessionals, vrijwilligers en leerlingen met deze mooie erkenning!

Eco-Schools is vanaf nu onderdeel van GDO 

Op steeds meer scholen in Nederland zie je het gebeuren: leerlingen die niet wachten tot iemand iets verandert, maar zelf in actie komen. Deze leerlingen zijn bijvoorbeeld actief in een Eco-Team. Daar onderzoeken ze wat er rondom 10 duurzame thema’s beter kan op hun school. Ze organiseren activiteiten om andere leerlingen te betrekken en gaan in gesprek met docenten, de directie en soms zelfs de gemeente. Wat begint als een klein initiatief, groeit uit tot iets dat zichtbaar impact maakt in de hele school. 

En precies dat maakt Eco-Schools zo bijzonder. Duurzaamheid komt zo niet van buiten naar binnen, maar ontstaat van binnenuit.  Dat sluit goed aan bij waar we ons binnen het GDO-netwerk dagelijks voor inzetten. Natuur- en duurzaamheidseducatie op een manier die echt landt bij leerlingen.  Niet als losse activiteit, maar als iets dat onderdeel wordt van denken, doen, op school en in het dagelijks leven. 

Daarom zijn we ontzettend blij dat Eco-Schools sinds kort bij Vereniging GDO hoort. Een mooie stap want binnen het GDO-netwerk komt alles samen: lokale betrokkenheid, sterke verbindingen met scholen en de passie om NDE nog meer te verankeren in het onderwijs. 

Waar het programma eerder werd uitgevoerd door SME, krijgt Eco-Schools binnen GDO een plek midden in het netwerk. Zo kunnen we scholen nog beter ondersteunen met lokale begeleiding, praktische tools, goede voorbeelden en inspiratie. Samen bouwen we verder aan scholen waar leerlingen niet alleen leren over duurzaamheid, maar er ook zelf mee aan de slag gaan. 

Van een vraag naar een eigen project 

Een project van een Eco-team begint vaak met een vraag. Waarom gooien we alles bij elkaar weg? Kan het schoolplein groener? Waar komen onze (school)spullen vandaan? Leerlingen krijgen de ruimte om die vragen te onderzoeken. Zij doen dit met hun hoofd, hart en handen. Ze verdiepen zich in wat er speelt op hun school, ontdekken wat zij daarvan vinden en komen vervolgens zelf in actie om positieve verandering te brengen. 

Daarin zit de kracht van Eco-Schools. Waar een gastles of projectweek iets in beweging kan zetten, helpt Eco-Schools om die beweging vast te houden. Leerlingen nemen het voortouw, maken plannen en voeren die ook uit. Ook docenten spelen daarin een belangrijke rol. In één van de stappen verkennen zij hoe duurzame thema’s structureel onderdeel zijn van het curriculum en maken zij een verbeterplan. Zo groeit duurzaamheid van losse activiteiten naar een doorlopend en geborgd proces in de school. Juist dat eigenaarschap maakt het verschil: leerlingen ervaren dat ze zelf invloed hebben en zien hun ideeën terug in de praktijk. 

De rol van het GDO-netwerk 

Precies op het moment dat leerlingen die rol pakken, verandert ook de rol van NDE-organisaties. Waar NDE-organisaties van oudsher vooral aanbieder waren van lesmaterialen, groeien zij steeds meer toe naar een rol als partner, aanjager en soms zelfs makelaar in het lokale netwerk. Niet alleen iets komen brengen, maar vooral helpen zorgen dat het geheel gaat werken: door scholen, gemeenten en lokale initiatieven met elkaar te verbinden en te versterken. 

Daar sluit Eco-Schools prachtig op aan. Het programma vraagt niet alleen om inspiratie, maar juist ook om procesbegeleiding, structuur en samenhang. Om iemand die met de school meedenkt, het proces helpt bewaken en de juiste verbindingen legt met kansen en ontwikkelingen in de schoolomgeving. 

En precies daar ligt de kracht van ons netwerk. NDE-organisaties kennen de lokale context, weten wat er speelt bij scholen en hebben het netwerk om initiatieven verder te brengen. Daarom vervullen verschillende GDO-leden de rol van regionale Eco-Schools begeleider. Ook kan een NDE-organisatie binnen hun lokale scholennetwerk Eco-Schools onder de aandacht brengen. 

Samen verder bouwen 

De overgang van Eco-Schools naar GDO is daarmee niet alleen een verandering op papier, maar vooral een kans om de impact van het netwerk verder te verdiepen. Om als NDE-organisaties nog sterker de rol te pakken van partner, aanjager en soms zelfs makelaar in het lokale netwerk. Maar ook om leerlingen een actieve rol te geven in de duurzame verandering die we samen nastreven. 

We merken steeds meer dat de beweging er al ist. Maar met Eco-Schools binnen GDO kunnen we die beweging nog gerichter ondersteunen, beter met elkaar verbinden en samen meer kracht geven. Wil je Eco-Schools onder de aandacht brengen bij scholen in jouw netwerk? Dan vind je op de website kant-en-klaar communicatiemateriaal, zoals teksten voor de NDE-gids of website, een nieuwsbrieftekst, foto’s en een promotietekst voor het inspiratiewebinar op 8 oktober.  

Ben je benieuwd wie in jouw omgeving de rol van regionaal Eco-Schools begeleider vervult, of welke scholen al meedoen? Neem dan contact op via info@eco-schools.nl of kijk op de communitypagina op de website. Heb je vragen of suggesties over de overdracht van Eco-Schools van SME naar GDO? Neem dan contact op met Eva en Arjan via mientjes@eco-schools.nl of a.klopstra@vereniginggdo.nl. Zo maken we van deze overgang niet alleen een organisatorische stap, maar vooral een gezamenlijke kans om duurzaam onderwijs lokaal nog sterker te verankeren.

Interview GDO-Leertraject #4: Suzanne Stolk van Weizigt 

De wereld van Natuur- en Duurzaamheidseducatie (NDE) staat niet stil. Steeds vaker zoeken scholen naar partners die verder gaan dan losse lessen en projectaanbod. Dat vraagt om samenwerking op strategisch niveau, om duurzame verankering in visie, beleid en praktijk. Het nieuwe GDO-leertraject ondersteunt NDE-centra in het verkennen en versterken van hun rol in relatie tot het onderwijs.   

Vandaag gingen we in gesprek met Suzanne Stolk die vertelt over de vierde sessie. 

Wie is de deelnemer? 

Suzanne Stolk werkt bij Weizigt in Dordrecht, waar zij sinds begin dit jaar de functie van adviseur en programmacoördinator educatie heeft. Ze werkt er inmiddels bijna acht jaar. Daarvoor deed zij ervaring op bij andere organisaties voor natuur- en milieueducatie, onder meer bij de gemeente Delft. Die lange ervaring in het NDE-werkveld neemt ze mee in een periode waarin haar eigen rol en de rol van Weizigt in beweging zijn. 

Weizigt is een brede organisatie met een stadsboerderij, tuinen, publieksactiviteiten, lessen voor scholen en projecten in de wijken. Het terrein ligt direct achter station Dordrecht en trekt veel bezoekers, vooral uit de stad zelf. Naast het klassieke educatieve aanbod voor scholen organiseert Weizigt activiteiten rond onder meer vergroening, afval, water, dieren en talentontwikkeling in de wijk. Suzanne beschrijft het als een rijke plek, maar ook als een plek waar veel tegelijk gebeurt. 

Ook persoonlijk is natuur voor haar een constante factor. Ze wandelt graag, is actief in de voedselbossenbeweging en zoekt in haar vrije tijd regelmatig natuurgebieden op. Die betrokkenheid sluit aan bij haar werk: niet alleen kennis overdragen, maar ook ruimte maken voor verwondering, betrokkenheid en praktische verandering. 

Links: Anneke van Veen, schrijfster van het boekje ‘De tuin met Stip’ waarbij i.s.m. andere centra/GDO een lespakket is ontwikkeld.  Midden: Suzanne Stolk Rechts: wethouder Tanja de Jonge van gemeente Dordrecht. 

De leervraag van het leertraject 

De deelname aan het leertraject sluit voor Suzanne direct aan bij de ontwikkeling van haar functie. Toen zij bij Weizigt begon, was haar rol nog breed en soms onduidelijk. Ze werkte als projectmedewerker, maar nam in de praktijk ook coördinerende en adviserende taken op zich. Met haar nieuwe functie als adviseur en programmacoördinator past het leertraject bij de vraag hoe zij die rol steviger kan invullen. 

Tegelijkertijd speelt er binnen Weizigt een bredere ontwikkeling. De organisatie is traditioneel sterk als aanbieder van educatie aan scholen. Er zijn lessen op het terrein, lesmaterialen die scholen kunnen lenen en vaste programma’s rond thema’s als boerderijdieren, bodem, water en afval. Maar Suzanne ziet dat het gebruik van het klassieke aanbod verandert. Een deel van de scholen maakt veel gebruik van Weizigt, een deel komt af en toe, en een groep scholen wordt nauwelijks bereikt. De organisatie wil daarom de contacten met scholen opnieuw versterken. 

Daarbij gaat het niet alleen om meer scholen bereiken, maar ook om scherper kiezen. Weizigt heeft het bestaande aanbod laten analyseren en kijkt welke lessen en materialen nog voldoende worden gebruikt. Dat vraagt soms om lastige beslissingen. Een lesmateriaal dat nog door één school wordt geleend, kan waardevol voelen, maar het kost ook tijd en aandacht om het in stand te houden. Suzanne zegt daarover: “Je moet ruimte creëren voor nieuwe dingen, maar afscheid nemen van oude dingen doet ook pijn.” 

Een belangrijk inzicht uit het leertraject is dat Weizigt niet alleen kan blijven werken vanuit de rol van aanbieder. De organisatie zoekt naar een betere balans tussen aanbieden, adviseren, begeleiden en samenwerken. Projecten zoals Afvalvrije School, een project dat scholen helpt om het duurzaamheidsbeleid tastbaar en concreet te maken door leerlingen bewust te maken van de waardevolle grondstoffen, laat al zien hoe Weizigt meer partner kan zijn van scholen. De vervolgvraag is hoe die rol bewuster en zichtbaarder kan worden gemaakt. Scholen moeten immers ook weten dat Weizigt meer kan bieden dan een les of leskist. 

Sessie 4: Organisatieontwikkeling en relatie met de gemeente 

In de 4e sessie deelden Utrecht Natuurlijk en Natuurcentrum Arnhem, deelnemers aan de Pilot Combinatiefunctie van GDO hun ervaringen met organisatieontwikkeling en hoe daar ruimte voor te maken. Voor Suzanne zat de waarde van die sessie vooral in het concrete voorbeeld van organisaties die niet alleen praten over rolverandering, maar daar ook tijd en functie-invulling voor organiseren. 

De combinatiefunctionaris, een bruggenbouwer die scholen ondersteunt bij het integreren van duurzaamheid in het onderwijs, laat zien dat vernieuwing in NDE-werk niet iets is wat er zomaar “bij” kan. Wie dichter op scholen wil werken, meer wil adviseren of nieuwe vormen van samenwerking wil verkennen, heeft daarvoor ruimte nodig in de organisatie. Dat herkende Suzanne sterk. Niet omdat Weizigt dezelfde vorm direct kan overnemen, maar omdat de onderliggende vraag dezelfde is: hoe voorkom je dat goede ideeën verdwijnen in de drukte van het dagelijkse programma? 

Wat haar ook bijbleef, was de nuchtere manier waarop Utrecht Natuurlijk en Natuurcentrum Arnhem vertelden over zoeken, uitproberen en leren. De pilot maakte duidelijk dat een nieuwe rol niet in één keer vastligt. Het vraagt om aftasten: wat hebben scholen nodig, waar ligt de meerwaarde van een NDE-organisatie en welke positie neem je dan in als professional? 

Voor Suzanne bevestigde de sessie dat ontwikkeling niet alleen inhoudelijk is, maar ook organisatorisch. Het gaat niet alleen om andere activiteiten bedenken, maar om tijd vrijmaken, keuzes expliciet maken en intern bespreken wat een nieuwe rol vraagt van medewerkers. Juist dat maakte de sessie bruikbaar voor haar eigen werk: het gaf taal aan een verandering die bij Weizigt al voelbaar is, maar nog verder vorm moet krijgen. 

Wil je meer weten over deze pilot? We hebben samen met Utrecht Natuurlijk en Natuurcentrum Arnhem een handreiking gemaakt. In deze handreiking hebben we praktijkervaringen, inzichten en concrete tips gebundeld. Bekijk hem hier.  

Betekenis voor de NDE-sector 

Het verhaal van Suzanne raakt aan een bredere beweging in de NDE-sector. Veel centra herkennen de spanning tussen het bestaande aanbod en de veranderende praktijk van scholen. Klassieke lessen en materialen hebben nog steeds waarde, maar de omstandigheden zijn veranderd. Scholen hebben minder ruimte, meer verplichtingen en praktische drempels, zoals vervoer. Voor een locatie als Weizigt is dat extra relevant: het terrein is juist een sterke leeromgeving, maar niet elke school kan er gemakkelijk komen. 

Daarmee staat de sector voor een dubbele opdracht. Aan de ene kant blijft de kracht van NDE heel concreet: kinderen naar buiten brengen, werken met echte materialen, leren op een plek waar natuur, dieren, water en bodem tastbaar zijn. Aan de andere kant vraagt de huidige tijd om andere vormen van samenwerking. Niet alleen een les aanbieden, maar ook meedenken met scholen, verbinding leggen met thema’s als afval, vergroening en duurzaamheid, en helpen om die thema’s een plek te geven in de schoolpraktijk. 

Suzanne ziet dat veel NDE-organisaties hierin zoekende zijn. Juist daarom vindt zij begeleide uitwisseling waardevol. Niet alleen praten met collega’s uit het veld, maar samen werken met modellen, casussen en gerichte vragen. Dat helpt om voorbij het uitwisselen van zorgen te komen en daadwerkelijk richting te geven aan ontwikkeling. 

Daarbij klinkt ook een bredere oproep door: de sector mag zichtbaarder en zelfbewuster worden. Volgens Suzanne is NDE van oudsher bescheiden. Mensen in het werkveld zijn vaak sterk vanuit inhoud, verwondering en betrokkenheid, maar minder gewend om stevig te laten zien welke maatschappelijke waarde hun werk heeft. Terwijl juist natuur, duurzaamheid en onze leefomgeving raken aan de basis van het bestaan. 

Voor Weizigt betekent dit voorlopig: scherp kiezen, schoolcontacten versterken, ruimte maken voor nieuwe rollen en tegelijk behouden wat werkt. Voor de NDE-sector als geheel laat het zien dat ontwikkeling niet begint met grote woorden, maar met eerlijke vragen: wat bouwen we op, wat bouwen we af en hoe blijven we van waarde voor scholen, kinderen en de samenleving? 

Nieuwe inschrijvingen

In september 2026 starten we een nieuwe ronde van dit leertraject. Heb je hier interesse in? Stuur een mail naar Simone: s.kleinhout@vereniginggdo.nl

Heb je interesse in het leertraject? Meld je dan aan via dit formulier

Van zaadje tot bord: hoe schooltuinieren leerlingen laat groeien

Het is de Week van de Schooltuin! Overal beginnen planten weer te groeien en ook op veel scholen gaan leerlingen weer naar buiten om te ontdekken wat er leeft in de natuur. Voor scholen die leerlingen actief willen laten leren over natuur, voeding en biodiversiteit, is schooltuinieren een krachtige en praktische manier die bijdraagt aan de brede ontwikkeling van het kind. Veel lokale NDE-organisaties bieden schooltuinprogramma’s aan, op prachtige locaties, dichtbij de school en ondersteunen met begeleiding en materialen. Samen met de partners binnen de Alliantie Schooltuinen dragen we bij aan kennis en netwerk over schooltuinieren.

Met de Modelinterventie Schooltuinieren, ontwikkeld door onder andere Vereniging GDO, werken we aan schooltuinprogramma’s met impact. Lokale programma’s die onderdeel zijn van de Modelinterventie Schooltuinieren, dragen bewezen bij aan krijgen gezonde eetgewoonten en respect voor en kennis over de natuur.

De interventie is in november 2024 erkend als ‘Goed onderbouwd’ door de Erkenningscommissie Jeugdgezondheidszorg, preventie en gezondheidsbevordering. Daarmee behoort het programma tot één van de erkende interventies die scholen kunnen inzetten om gezondheid en positieve ontwikkeling bij leerlingen te stimuleren. Zo kunnen scholen die werken aan het thema Milieu en Natuur deze interventie bijvoorbeeld inzetten als erkende Gezonde School-activiteit binnen de Gezonde School-aanpak.

Leren door te doen in de schooltuin

Binnen een schooltuinprogramma krijgen leerlingen, groep 5 tot en met 8, een eigen tuintje of werken ze samen in kleine groepjes. Daar zaaien ze verschillende gewassen, verzorgen ze de planten en volgen ze het groeiproces gedurende het seizoen. Gedurende minimaal drie maanden komt de klas 10 tot 12 keer naar de schooltuin. Tijdens deze lessen leren leerlingen onder andere:

  • hoe groenten groeien
  • hoe ze planten moeten verzorgen
  • welke dieren en insecten in de tuin leven
  • hoe voedsel van de grond uiteindelijk op hun bord belandt

De leerlingen verbouwen minstens zes verschillende gewassen. Tussendoor proeven ze wat ze hebben geteeld en aan het einde van het seizoen maken ze samen een gerecht van hun oogst. Door deze praktische aanpak wordt leren tastbaar. Leerlingen ervaren niet alleen hoe groenten groeien, maar ontwikkelen ook meer nieuwsgierigheid naar de natuur om hen heen.

“Op de Van Hasseltschool zien we dat kinderen het heerlijk vinden om voor planten te zorgen. In onze moestuin zaaien, verzorgen en oogsten de leerlingen regelmatig zelf. Doordat zij dit proces van dichtbij meemaken, ervaren ze hoe iets groeit en wat daarvoor nodig is. We merken dat leerlingen hierdoor verantwoordelijkheid ontwikkelen, goed samenwerken en steeds nieuwsgieriger worden naar de natuur om hen heen,” aldus de Van Hasseltschool.

Meer dan alleen tuinieren

Hoewel schooltuinieren op het eerste gezicht draait om planten en groenten, gaat de opbrengst veel verder dan dat. De lessen dragen bij aan verschillende ontwikkelingsdoelen. Leerlingen:

  • ontwikkelen gezondere voedingsgewoonten doordat ze zelf geteelde groenten proeven
  • krijgen meer respect voor natuur en biodiversiteit
  • leren samenwerken en communiceren
  • ontwikkelen vaardigheden zoals probleemoplossend denken en verantwoordelijkheid nemen

Er komt zelfs rekenen en taal aan te pas. Juist doordat leerlingen zelf verantwoordelijk zijn voor hun stukje tuin, voelen ze zich betrokken bij wat er groeit.

Wat betekent schooltuinieren voor een school?

Voor scholen is het belangrijk om te weten wat deelname praktisch betekent. Een schooltuinprogramma vraagt een duidelijke, maar goed te overziene tijdsinvestering. Een klas bezoekt gedurende een groeiseizoen 10 tot 12 keer een schooltuin, meestal verspreid over minimaal drie maanden. De lessen vinden plaats onder schooltijd en maken onderdeel uit van het lesprogramma.

De schooltuin kan zich op verschillende plekken bevinden, bijvoorbeeld op het schoolplein, in de buurt van de school of op een schooltuincomplex of andere externe locatie. Wanneer de tuin zich niet direct bij de school bevindt, wordt een afstand van maximaal twee kilometer aanbevolen. Zo kunnen leerlingen er lopend of met de fiets naartoe. Veel NDE-organisaties in het netwerk van GDO hebben prachtige locaties waar scholen een begeleid en professioneel schooltuinprogramma volgen.

Geen schooltuin in de buurt? Er zijn meer mogelijkheden dan je denkt

Niet elke school heeft direct toegang tot een schooltuin. Omdat er geen ruimte is op het schoolplein of omdat er geen schooltuinlocatie in de buurt is. Toch zijn er vaak meer mogelijkheden dan gedacht. Volgens Thijs van der Meulen, duurzaamheidsadviseur en vertegenwoordiger van Vereniging GDO binnen de Alliantie Schooltuinen, hoeft het ontbreken van een schooltuin geen belemmering te zijn: “Het gaat er ook om dat leerlingen actief bezig zijn met voedsel. Misschien is de impact anders, maar ook met andere voedselprojecten kun je vaak al veel bereiken en dat kan de opstap zijn naar een breder programma.” 

De lokale organisaties voor natuur- en duurzaamheidseducatie of gemeenten ondersteunen vaak bij locatie, materialen of begeleiding. “Begin klein en maak het behapbaar,” adviseert Thijs. “Je hoeft niet meteen het perfecte programma neer te zetten. Geef jezelf en de school de ruimte om te groeien.”

Aan de slag met schooltuinieren

Steeds meer scholen ontdekken dat schooltuinieren een inspirerende manier is om natuur, gezondheid en onderwijs met elkaar te verbinden. Door leerlingen actief buiten te laten leren, ontstaat er ruimte voor verwondering, ontdekking en samenwerking. Tegelijkertijd zijn leerlingen letterlijk in beweging, wat bijdraagt aan hun concentratie, welzijn en leerplezier.

Voor scholen die willen starten met een schooltuinprogramma zijn er verschillende mogelijkheden. Bestaande programma’s kunnen worden getoetst door Vereniging GDO en officieel erkend worden onder de Modelinterventie Schooltuinieren. Zo wordt niet alleen gewerkt aan natuur- en milieueducatie, maar ook aan gezonde gewoonten en de persoonlijke ontwikkeling van leerlingen.

Ga zelf aan de slag met milieu en natuur

Willemijn de Vries, expert van GDO

Willemijn de Vries is adviseur educatie bij Vereniging GDO, kennispartner van Gezonde School voor het thema Milieu & Natuur. Zij bezoekt regelmatig scholen voor audits en adviseert scholen over hoe je met het thema Milieu & Natuur aan de slag kunt gaan. Heb je voor Willemijn een vraag? Stuur dan je mail naar w.devries@vereniginggdo.nl

Q&A Combinatiefunctie NDE: van aanbieder naar partner

Op 16 april organiseerde Vereniging GDO een online vragenuur over de Combinatiefunctie Natuur- en Duurzaamheidseducatie (NDE). Professionals van Utrecht Natuurlijk en Natuurcentrum Arnhem deelden hun ervaringen uit de pilot en gingen in gesprek met het netwerk over rolontwikkeling, positionering en samenwerking met onderwijs en gemeenten.

De rode draad van de bijeenkomst: de pilot draait niet alleen om een functie, maar vooral om de vraag hoe NDE-organisaties zich verhouden tot hun omgeving. Hoe beweeg je van aanbieder naar partner? Hoe versterk je je positie richting scholen en gemeenten? En wat vraagt dat concreet van je organisatie?

Kon je er niet bij zijn, maar ben je wel nieuwsgierig naar wat we hebben besproken? Lees hieronder de belangrijkste inzichten uit het vragenuur.

Q: Maken we met ons huidige aanbod voldoende impact?

A: Er is veel waardering voor het aanbod van NDE-organisaties, maar tegelijk leeft de vraag of de impact groot genoeg is als leerlingen vaak maar één keer in hun schoolloopbaan met NDE in aanraking komen. De opgave is daarom niet alleen om goed aanbod te verzorgen, maar ook om steviger in gesprek te komen met onderwijs en gemeenten over de structurele betekenis van NDE.

Q: Waar zit de sleutel in het gesprek met scholen?

A: De kern ligt in goed luisteren naar wat er op scholen speelt en daarop aansluiten. Stel niet het aanbod centraal, maar voer het gesprek over wat scholen nodig hebben en hoe NDE kan bijdragen aan het curriculum, teamontwikkeling en de brede ontwikkeling van kinderen.

Q: Hoe ga je om met de verschillen tussen gemeenten?

A: Veel organisaties werken in meerdere gemeenten met elk hun eigen beleidskaders, financieringsvormen en prioriteiten. Dat geldt overigens ook binnen grotere gemeenten. Het vraagt om maatwerk en actief relatiebeheer: per gemeente, en soms zelfs per afdeling, kijken wie je tegenover je hebt, wat daar speelt en hoe je daarop aansluit.

Q: Hoe kom je van aanbieder naar partner of regisseur?

A: Dat begint bij de manier waarop je organisatie wordt gezien. Als NDE alleen als aanbieder in beeld is, blijf je buiten het strategische gesprek. De stap naar partnerschap vraagt om een sterk verhaal over de betekenis van NDE voor jeugd, onderwijs, gezondheid en leefomgeving.

Q: Hoe maak je je meerwaarde als professionele organisatie duidelijk?

A: Door kwaliteit en pedagogische deskundigheid te benadrukken. Een losse activiteit van een vrijwilliger kan waardevol zijn, maar een professionele NDE-organisatie onderscheidt zich door didactische kwaliteit, een goede aansluiting op het onderwijs en professionele begeleiding van de uitvoering. Zo profileer je je als organisatie die structureel bijdraagt aan onderwijs, in plaats van incidenteel aanbod levert.

Q: Is er perspectief op opname van NDE in de Brede Regeling Combinatiefuncties?

A: Op dit moment nog niet. Er zijn eerste gesprekken gevoerd, maar de landelijke context is lastig door bezuinigingen, de evaluatie van de regeling en terughoudendheid om nieuwe domeinen toe te voegen. De grootste kansen liggen voorlopig op lokaal niveau. In sommige gemeenten wordt NDE al gekoppeld aan sport en cultuur als onderdeel van brede ontwikkeling, en dat biedt aanknopingspunten.

Q: Wat kun je doen als gemeenten weinig ruimte voelen?

A: Blijven investeren in relaties en op meerdere plekken zaadjes planten. Soms ontstaat beweging via scholen of schoolbesturen die zich uitspreken. Ook bestaande routes, zoals handreikingen of overlegstructuren, kunnen helpen om op het vizier te komen.

Q: Hoe belangrijk is het eigen verhaal van je organisatie?

A: Heel belangrijk. Een helder en herkenbaar verhaal helpt om partners aan je te binden en als organisatie consistent zichtbaar te zijn. Het helpt bovendien als dat verhaal zo veel mogelijk a-politiek is geformuleerd, zodat het ook bij wisselende coalities overeind blijft. Vier praktische tips kwamen naar voren:

  1. Weet waar je voor staat. Formuleer scherp wat je kern is, bijvoorbeeld: bijdragen aan een gezonde, groene en duurzame samenleving, en verbind daar partners aan.
  2. Werk waar mogelijk a-politiek. Gemeentelijke contexten veranderen elke vier jaar. Een inhoudelijk en breed gedragen verhaal zorgt voor meer continuïteit.
  3. Gebruik je netwerk actief. Kom je ergens niet binnen, zet dan bestaande relaties en samenwerkingspartners in.
  4. Sluit aan bij je doelgroep. Vertaal je verhaal steeds naar de belevingswereld van onderwijs, gemeente, bedrijfsleven of andere partners.

Q: Moet NDE zich alleen richten op educatie?

A: Nee. Hoewel sommige trajecten vooral over educatie gaan, werd benadrukt dat NDE-organisaties in de praktijk vaak ook breder actief zijn, bijvoorbeeld op participatie, bewonersinitiatieven en maatschappelijke betrokkenheid. Die bredere rol moet zichtbaar blijven.

Q: Heeft de Lokale Educatieve Agenda (LEA) waarde als route?

A: Dat verschilt per gemeente. Soms is de LEA beperkt relevant, maar op andere plekken biedt deze wel degelijk kansen om NDE inhoudelijk op de agenda te zetten. Het blijft daarom een route om serieus te verkennen.

Q: Helpt het om gemeenten te vragen om apart NDE-beleid?

A: Dat verschilt per gemeente, maar vaak werkt het beter om niet te vragen om een apart beleidsdossier, maar aan te sluiten bij bestaande gemeentelijke opgaven. De vraag wordt dan: hoe kan NDE bijdragen aan doelen rond jeugd, gezondheid, kansengelijkheid of leefomgeving?

Q: Wat zijn randvoorwaarden om een meer verbindende rol te vervullen?

A: De belangrijkste randvoorwaarde is tijd: tijd om relaties op te bouwen en tijd om partnerschappen te ontwikkelen. Als die tijd er niet is, kun je alsnog stappen zetten door in elk contactmoment je verhaal strategisch te vertellen, actief haakjes te benoemen (bijvoorbeeld beweging, gezondheid of gedrag) en je positie subtiel maar consequent te versterken. Daarnaast is het belangrijk om jezelf te zien als middel: aansluiten bij andere agenda’s, maar wel je eigen verhaal blijven inbrengen.

Q: Moet elke NDE-organisatie dezelfde rol ambiëren?

A: Nee. Niet iedere organisatie hoeft partner of regisseur te worden. Het is ook waardevol om simpelweg een heel goede en onmisbare aanbieder te zijn. Binnen een regionaal netwerk kunnen organisaties verschillende rollen vervullen en elkaar aanvullen.

Q: Hoe kijken we naar ontwikkelingen rond techniekeducatie?

A: Dat verschilt per regio. Soms biedt het kansen om duurzaamheid, techniek en voeding meer in samenhang aan te bieden en zo scholen te ontzorgen. Tegelijk moet NDE niet onnodig concurreren met bestaande techniekprogramma’s. De opgave is vooral om adaptief te blijven, nieuwe ontwikkelingen tijdig te signaleren en waar passend samenwerking te zoeken. Vanuit GDO wordt verkend waar NDE al betrokken is bij Techkwadraat en hoe die voorbeelden gedeeld kunnen worden.

Tot slot

Wat uit het vragenuur vooral duidelijk werd, is dat de weg van aanbieder naar partner geen kwestie is van één beslissing of één nieuwe functie. Het is een proces van positioneren, relaties opbouwen, goed luisteren en je verhaal consequent vertellen, afgestemd op wie er tegenover je zit. Niet elke organisatie hoeft dezelfde rol te ambiëren, maar elke organisatie heeft baat bij een scherp eigen verhaal en een stevig netwerk.

De ervaringen van Utrecht Natuurlijk en Natuurcentrum Arnhem laten zien dat het loont om kleine stappen te blijven zetten, ook als de landelijke context ingewikkeld is. Door te blijven investeren in relaties met scholen, gemeenten en andere partners, en door aan te sluiten bij bredere opgaven rond jeugd, gezondheid, kansengelijkheid en leefomgeving, komt NDE steeds meer in beeld als een logische partner in plaats van een losse leverancier.

Wil je aan de slag met de inzichten uit de pilot? Neem dan contact op met Anouk Haverkamp via a.haverkamp@vereniginggdo.nl of bekijk de handreiking Combinatiefunctie NDE voor meer praktische handvatten.

Gezonde School: vignet nieuwe stijl vanaf 2026-2027

Gezonde School introduceert vanaf het schooljaar 2026-2027 het vignet Gezonde School nieuwe stijl. Binnen de nieuwe vorm ligt de nadruk op het stimuleren van scholen om structureel én integraal te blijven werken aan de Gezonde School-aanpak, via Jouw Gezonde School. Dit geldt ook voor het thema Milieu en Natuur, waarvan Vereniging GDO themahouder is.

Scholen kunnen al (kern)acties afronden in Jouw Gezonde School – Aan de slag. Alles wat een school nu al doet, telt straks mee aan het behalen van het vignet Gezonde School nieuwe stijl.

Meer en actuele informatie over het vignet is te vinden op Gezondeschool.nl/vignet.

Benieuwd naar wat Vereniging GDO doet binnen Gezonde School? Lees meer over Gezonde School: Thema Milieu en Natuur.

Investeren in lokale infrastructuur rond scholen blijft nodig voor duurzaam onderwijs

De nieuwste editie van De Staat van het Duurzaam Onderwijs 2026, vandaag gepresenteerd door Leren voor Morgen, laat zien dat duurzaam onderwijs en natuur- en duurzaamheidseducatie volop in ontwikkeling zijn. Binnen het netwerk van Vereniging GDO herkennen we dat beeld.

Tegelijkertijd bevestigt het rapport ook een hardnekkige realiteit: duurzaam onderwijs is nog te vaak afhankelijk van losse projecten en bevlogen individuen. Dat maakt het kwetsbaar.

Bekijk hier het hele rapport op de website van Leren voor Morgen

Van losse projecten naar stevige basis

Juist daarom blijft structurele ondersteuning van scholen nodig. Niet alleen via tijdelijke projecten, maar door te investeren in een sterke lokale infrastructuur: plekken, professionals en netwerken in de directe omgeving van de school.

Die infrastructuur is geen randvoorwaarde, maar een wezenlijk onderdeel van duurzaam onderwijs. Zonder die basis blijft het moeilijk om duurzaam onderwijs blijvend te verankeren in de praktijk.

De kracht van lokale leeromgevingen

Natuur- en duurzaamheidseducatie wint aan kracht wanneer scholen kunnen samenwerken met partners in hun omgeving en wanneer leren verbonden wordt met de leefwereld van kinderen en jongeren.

Lokale voorzieningen zoals NDE-centra, stads- en kinderboerderijen spelen daarin een sleutelrol.
Zij:

  • ondersteunen scholen bij het vormgeven van onderwijs;
  • verbinden onderwijs met maatschappelijke en gemeentelijke opgaven;
  • bieden rijke leeromgevingen waar leerlingen kunnen ervaren, onderzoeken en ontdekken.

Op deze plekken leren kinderen niet alleen over natuur, duurzaamheid en samenleving, maar juist in en met de praktijk. Daarmee dragen ze direct bij aan het behalen van kerndoelen en aan betekenisvol onderwijs.

Structureel investeren in wat werkt

Duurzaam onderwijs is geen extraatje, maar een essentieel onderdeel van goed onderwijs en van gezond, toekomstgericht opgroeien. Dat vraagt om meer dan ambities en incidentele subsidies.

Het vraagt om structurele investeringen in lokale leer-ecosystemen rond kinderen en jongeren, en om duurzame samenwerking tussen scholen, gemeenten en lokale partners.

Samen met gemeenten en NDE-organisaties in ons netwerk blijft Vereniging GDO zich hiervoor inzetten.

Meld je aan voor de eerste gezamenlijke netwerkdag van vSKBN & Vereniging GDO

Graag nodigen we je uit voor de eerste gezamenlijke netwerkdag van vSKBN en Vereniging GDO op vrijdag 19 juni bij Vogelpark Avifauna in Alphen aan den Rijn.

Waarom deze netwerkdag?

De samenwerking tussen Vereniging Stads- en Kinderboerderijen Nederland en Vereniging GDO krijgt steeds verder vorm. We komen elkaar vaker tegen: op locaties, in projecten en tijdens bijeenkomsten. Met deze netwerkdag brengen we onze netwerken voor het eerst samen op één gezamenlijke ledendag.

Wat kun je verwachten?

De dag staat in het teken van ontmoeten, uitwisselen en samen vooruitkijken. We nemen jullie mee in de ontwikkeling van het meerjarenplan voor de samenwerking tussen vSKBN en GDO en horen daarbij graag jullie ideeën en feedback. Daarnaast zijn er verschillende informatietafels waar initiatieven en projecten uit ons netwerk zich presenteren:

  • Je maakt kennis met voorbeelden uit het netwerk rond samenwerking met bedrijven, lokale partners en buurtinitiatieven.
  • Je kunt je vragen stellen of praktische informatie krijgen over het Kwaliteitsbewijs voor kinderboerderijen.
  • Er komen onderwerpen langs zoals Eco-Schools, duurzaamheid in de nieuwe kerndoelen en het leertraject rond rolontwikkeling van NDE-organisaties.
  • Verschillende leden laten voorbeelden zien van educatie en participatie in de praktijk.
  • Daarnaast kun je in gesprek gaan met collega’s en bestuursleden van GDO en vSKBN over de lopende ontwikkelingen, over verschillende projecten binnen de verenigingen en horen we graag jullie feedback op de eerste contouren van het meerjarenplan.

Het is ook mogelijk om zelf materiaal of een project te presenteren. Geef dit aan bij je aanmelding (er is beperkt ruimte, dus we bekijken wat mogelijk is).

Praktische informatie

Datum: vrijdag 19 juni
Locatie: Avifauna, Alphen aan den Rijn
Tijd: 09.30 tot 13.30 uur

Programma

09.30 – 10.00 Inloop
10.00 – 10.30 Plenair welkom, presentatie eerste contouren van het meerjarenplan en terugkoppeling ledenpeiling (hier krijgen jullie binnenkort bericht over)
10.30 – 12.00 Open beursvloer
12.00 Vegetarische lunch
12.30 Rondleiding door Avifauna (optioneel)
13.30 Einde programma en gelegenheid om zelf verder het park te bezoeken

Voor de kosten van de dag (zaalhuur, entree Avifauna, koffie/thee en lunch) vragen wij een bijdrage van €20 per persoon voor leden en €50 per persoon voor niet-leden, excl. btw. Bij afmelding na 1 juni worden de deelnamekosten alsnog in rekening gebracht. Na aanmelding ontvang je nadere informatie over de locatie en het programma.

Kortom: dit wordt een dag om elkaar te ontmoeten, inspiratie op te doen en samen verder te bouwen aan onze netwerken. Wil jij daarbij zijn? Meld je aan via het onderstaande formulier. Hopelijk tot ziens op 19 juni!

Naam
Ik meld me aan voor de rondleiding door Avifauna (12.30 – 13.30 uur)
Het is mogelijk om zelf materiaal of een project te presenteren, we reserveren hiervoor enkele tafels. Wil je iets laten zien?
Gegevens voor het sturen van de factuur
Voor de kosten van de dag (zaalhuur, entree Avifauna, koffie/thee en lunch) vragen wij een bijdrage van €20 per persoon voor leden en €50 per persoon voor niet-leden, excl. btw. Bij afmelding na 1 juni worden de deelnamekosten alsnog in rekening gebracht.
Contactpersoon factuur
Ik wil graag de nieuwsbrief ontvangen

Interview GDO-Leetraject #3: Carola Rijpkema van Het Groene Huis

De wereld van Natuur- en Duurzaamheidseducatie (NDE) staat niet stil. Steeds vaker zoeken scholen naar partners die verder gaan dan losse lessen en projectaanbod. Dat vraagt om samenwerking op strategisch niveau, om duurzame verankering in visie, beleid en praktijk. Het nieuwe GDO-leertraject ondersteunt NDE-centra in het verkennen en versterken van hun rol in relatie tot het onderwijs.  

Vandaag gingen we in gesprek met Carola Rijpkema die vertelt over de derde sessie. 

Wie is de deelnemer? 

Carola Rijpkema werkt sinds twee jaar bij Het Groene Huis in Amersfoort. Binnen Het Groene Huis combineert zij haar rol in het team educatie samen met de verantwoordelijkheid voor de inrichting van het bezoekerscentrum. Zij houdt zich bezig met het contact met basisscholen én met de vraag wat bezoekers ervaren zodra zij het gebouw binnenkomen: welke verhalen worden hier verteld en hoe natuur, duurzaamheid en educatie elkaar versterken. 

In haar loopbaan zie je duidelijk dat natuur en onderwijs steevast een duidelijke rol innemen. Zo volgde Carola de opleiding Tuin- en Landschapsinrichting aan Hogeschool Larenstein en werkte jarenlang als ontwerper aan de inrichting van de openbare ruimte. Na de kredietcrisis/bankencrisis maakte zij een bewuste omslag. Ondertussen had ze de pabo gevolgd en afgerond, tijdens de avonduren.  In de natuur- en duurzaamheidseducatie vond zij die twee werelden terug. Eerst werkte zij acht jaar bij De Hortus in Harderwijk voordat zij de overstap maakte naar Het Groene Huis. 

Ook persoonlijk is Carola sterk verbonden met de natuur. Zij groeide op op een boerderij en woont nu met haar gezin in Leusden. In haar vrije tijd wandelt zij veel en is zij graag bezig in haar tuin.  

“Soms kijk ik bijna de bollen uit de grond, maar juist dat wachten maakt het mooi. Ik geniet van de wisseling van de seizoenen, en die laat ook zien hoe afhankelijk we daarvan zijn. Dat is iets fundamenteels; in het leven, maar net zo goed in leren en ontwikkelen.” 

Die houding klinkt door in haar werk: onderwijs en educatie vragen volgens haar om aandacht, tijd en ruimte om te groeien.  

De leervraag van het leertraject 

De aanleiding voor deelname aan het GDO-leertraject ligt in een kantelmoment binnen Het Groene Huis. Het educatieteam is de afgelopen jaren vernieuwd: collega’s zijn met pensioen gegaan en nieuwe teamleden zijn ingestapt. Dat bood ruimte om niet alleen het aanbod, maar ook de rol van de NDE-organisatie opnieuw te bekijken. 

Carola ziet dat Het Groene Huis traditioneel vooral opereert als aanbieder van educatieve activiteiten. Hoewel er naar aanbod van derden wordt doorverwezen, blijft dat vaak beperkt tot een praktische doorgeefrol. De ambitie is om door te groeien naar een gesprekspartner voor scholen: een organisatie die meedenkt over onderwijsontwikkeling, visie en de plek van natuur en duurzaamheid binnen het curriculum. 

Daarbij speelt voor Het Groene Huis sterk de wens om de basis nog beter op orde te brengen. Het educatieve aanbod is lange tijd weinig veranderd. Hoewel er al is geschrapt, is er nog beperkt vernieuwd. Voor Carola betekent dit dat er eerst gewerkt moet worden aan meer samenhang en duidelijke leerlijnen in het aanbod. Pas wanneer die basis staat, ontstaat er ruimte om richting scholen een sterker en overtuigender verhaal te voeren. Zo gaat het niet alleen over losse activiteiten, maar over hoe natuur- en duurzaamheidseducatie structureel kan bijdragen aan het onderwijs. 

Sessie 3: Onderwijspraktijk & breed vormend onderwijs 

Sessie 3 sprong er voor Carola duidelijk uit. Het thema breed vormend onderwijs sloot sterk aan bij haar eigen overtuiging dat leren meer is dan kennisoverdracht alleen. Onderwijs zou ook ruimte moeten bieden aan persoonlijke ontwikkeling, burgerschap en verbondenheid met de wereld. 

Het praktijkgerichte karakter van deze sessie maakte het verschil. In rollenspellen werd gewerkt met verschillende perspectieven binnen scholen: van directie en leerkrachten tot ondersteunend personeel. Voor Carola werd daarmee scherp zichtbaar hoe verschillende belangen samenkomen in onderwijskeuzes. Maar ook hoe belangrijk het is om die dynamiek te begrijpen als NDE-centrum. 

Die ervaring herkent Carola uit haar dagelijkse praktijk. In gesprekken met scholen zit zij meestal met één gesprekspartner aan tafel, vaak een directeur of een leerkracht. Tijdens de sessie werd juist zichtbaar hoeveel verschillende rollen en belangen binnen een school een rol spelen bij keuzes rond natuur- en duurzaamheidseducatie. Dat inzicht helpt haar om gesprekken met scholen anders te voeren: met meer oog voor wie er aan tafel zit, welke belangen meespelen en waar ruimte zit om het gesprek te verdiepen. 

Betekenis voor de NDE-sector 

Volgens Carola staat de NDE-sector als geheel voor vergelijkbare vraagstukken. Veel centra zoeken naar hun positie: hoe vernieuw je je aanbod, hoe maak je je relevant voor scholen en hoe word je een vanzelfsprekende partner in onderwijsontwikkeling? 

Een belangrijke uitdaging is dat natuur en duurzaamheid binnen het onderwijs vaak afhankelijk blijven van individuele kartrekkers. Terwijl het idealiter een vanzelfsprekend onderdeel zou moeten zijn van het onderwijs, vergelijkbaar met sport of cultuur. NDE-centra kunnen hierin een verbindende rol spelen, mits zij beschikken over een helder profiel en een sterk, gedeeld verhaal. 

De kracht van het leertraject zit voor Carola niet alleen in kennis en modellen, maar vooral in de ontmoeting met andere NDE-centra. Het herkennen van elkaars vragen, het uitwisselen van ervaringen en het samen reflecteren helpt om het eigen proces te versnellen. 

Voor Het Groene Huis betekent dit werken aan een duidelijke koers voor de komende jaren: met prioriteiten, ruimte voor vernieuwing en een gelijkwaardig gesprek met scholen. Voor de sector als geheel ziet Carola vooral kansen om, stap voor stap, te bouwen aan duurzame relaties, waarin onderwijs en natuur elkaar versterken. 

Nieuwe inschrijvingen

In september 2026 starten we een nieuwe ronde van dit leertraject. Heb je hier interesse in? Stuur een mail naar Simone: s.kleinhout@vereniginggdo.nl

Heb je interesse in het leertraject? Meld je dan aan via dit formulier

Samen naar buiten op Buitenlesdag: van schoolplein tot campus

Binnen het netwerk van Vereniging GDO zien we hoe het schoolplein, de buurt en andere groene leeromgevingen bijdraagt aan rijk en betekenisvol onderwijs. NDE-centra, gemeenten en scholen werken op veel plekken samen om natuur en leefomgeving dichter bij kinderen te brengen en het leren meer te verbinden met de wereld om hen heen. De Buitenlesdag van IVN Natuureducatie is daarvan een mooi en zichtbaar initiatief waar we vanuit ons netwerk ook graag onderdeel van zijn. Sinds 2016 stimuleert deze dag leerkrachten om het buitenlokaal bewust in te zetten: niet alleen voor natuuronderwijs, maar ook voor taal, rekenen, geschiedenis en techniek. Buiten leren biedt daarbij meer ruimte voor beweging, verwondering en ervaring, en draagt zo bij aan de brede ontwikkeling van leerlingen.

Primair onderwijs: ontdekken en onderzoeken

In het primair onderwijs is buiten leren een krachtige manier om kinderen te laten ervaren dat zij onderdeel zijn van de natuur. Buitenles vergroot de betrokkenheid en motivatie, stimuleert samenwerking en zorgt voor frisse energie in de klas. Dat buitenonderwijs steeds meer ingeburgerd raakt, blijkt uit onderzoek van DUO Onderwijsonderzoek & Advies (2025), uitgevoerd in opdracht van IVN: 77% van de leerkrachten geeft weleens buiten rekenles en 65% buiten taalles.

Hoger onderwijs: verdiepen en verbinden

Ook in het hoger onderwijs groeit de aandacht voor leren in de buitenlucht. Tijdens More Nature, Deeper Education nr. 4 op de Wageningen University & Research campus wordt aangesloten bij de Buitenlesdag met een buitenlesmarathon. Bezoekers kunnen vrij deelnemen aan inspirerende sessies waarin docenten laten zien hoe buitenonderwijs in de praktijk werkt.

Een bijzonder moment is de feestelijke opening van drie buitenklaslocaties door decaan Onderwijs Dick de Ridder. Deze locaties zijn vanaf 7 april beschikbaar en te reserveren voor onderwijs, een mooie stap in de verdere verankering van natuurinclusief onderwijs.

Aan de slag met je eigen lessen

Buitenlesdag is hét moment om naar buiten te gaan, maar hoe vertaal je dat naar je dagelijkse onderwijs? Het Collectief Natuurinclusief ontwikkelde een reeks visuals die laten zien hoe je natuur en duurzaamheid kunt verbinden met de kerndoelen in het primair onderwijs.

De visuals geven per leergebied concrete voorbeelden. Zo kun je binnen taal buiten een gedicht schrijven of een verhaal maken vanuit het perspectief van een dier, terwijl leerlingen bij rekenen data verzamelen over vogels of afval en dit verwerken in grafieken. Ook bij burgerschap, digitale geletterdheid en mens & natuur zijn er volop mogelijkheden om de omgeving als leerplek te gebruiken.

De kracht: het gaat niet om iets extra’s, maar om anders kijken naar wat je al doet in de klas. Bekijk de visuals en laat je inspireren.

Tip

Op de website van IVN vind je daarnaast een uitgebreide databank met buitenlessen en lespakketten over de natuur. Lees meer op de website en ontdek hoe je zelf eenvoudig met je klas naar buiten kunt!

Website gerealiseerd door Daily Creative Agency